Mits een voeding uitstekend is samengesteld en uitgebalanceerd, bestaat er geen bezwaar tegen dat de hond het gedurende haar hele leven eet.

Dit veronderstelt wel een groot vertrouwen in de vaardigheid der voedselbereiders om ervoor te zorgen dat iedere vitamine, elk sporenmineraal, alle essentiële vetzuren en aminozuren aanwezig zijn in de correcte hoeveelheden, dus variatie in het dieet doet zeker geen kwaad en waarschijnlijk zelfs goed.

Honden worden vaak echte gewoontedieren. Ze stellen routine op prijs, waaronder soms de wetenschap dat ze een bepaald voedsel iedere dag op een bepaald uur krijgen. De frequentie is belangrijk.

Anatomisch gezien is een hond erop gebouwd om zich een- of tweemaal per week volledig vol te proppen en dan de aldus opgebouwde reserves te verbruiken.

Als ze de kans krijgen vinden ze het prettiger om vaker te eten, minstens een- of tweemaal per dag. Deze frequentie wordt vroeg in het leven bepaald, en later kan ze wel zonder problemen worden verhoogd, maar de hond vindt het heel onaangenaam als ze wordt verminderd.

Uit standpunt van voedingswaarde is het aantal maaltijden per dag onbelangrijk; slechts het aantal dagelijkse calorieën is van belang.

Het veranderen van merk of de overgang van de ene naar de andere soort zoals droog, halfdroog of blikvoer, is voor sommige honden heel opwindend terwijl andere er juist diarree van krijgen.

Een alternatief is het handhaven van wat de hond lekker vindt, en daar vitaminen en mineraalsupplementen aan toe te voegen. Deze zijn waarschijnlijk overbodig maar in de vorm van snoepjes smaken ze lekker, kunnen worden gebruikt als beloning bij de training, vullen wellicht een onbekend gat in de voedselvoorziening op en doen, wanneer ze tenminste in de aanbevolen hoeveelheden worden verstrekt, geen kwaad.